Esperanto
FEL, waar de Esperantobeweging beweegt!
Contacteer ons Contacteer ons
Zoek in de webbladzijden van de VEB
in de webbladzijden van de VEB

 

Suske en Wiske praten Esperanto!

De Germaanse streektalen in de Benelux


Tweede artikel uit de reeks over 'minderheidstalen' in Europa, uit Horizon.taal nr 237, mei-juni 2009.
Bewerking naar aanleiding van het Talenfestival (thema: Benelux) op 15 mei 2010 in Antwerpen, georganiseerd door de V.E.B.


De 'Lage Landen' hebben een rijk talenpatrimonium. Afhankelijk van het statuut dat men aan talen en dialecten geeft zijn er een tiental binnen deze regio, de helft Romaanse en de helft Germaanse. Slechts vier zijn officiële staatstalen (Nederlands, Frans, Duits en Luxemburgs) en een aantal andere hebben een officiële regionale erkenning, met Fries als meest prominente. In dit deel over de talen in Europa zullen we de taalecologie binnen de Benelux onder de loep nemen, te beginnen met de Germaanse talen en dialecten. We hebben het hier voor alle duidelijkheid over de 'inheemse' streektalen, niet over talen die door recentere immigratie werden meegebracht.

De west-Germaanse talen die in de lage landen worden gesproken situeren zich, op het Ripuarisch en Moezelfrankisch na, allemaal in het noorden. In de zuidelijke lage landen worden verschillende varianten van de Langues d'Oil gesproken. De Germaanse streektalen in de Nederlanden worden over het algemeen als volgt ingedeeld:

  • * Nederfrankische dialecten.
  • * Nedersaksische dialecten, ook wel door de sprekers zelf 'Plat' genoemd, de westelijke variant van het Nederduits of Platduuts.
  • * Fries.
  • * Middelduits (Ripuarisch en Moezelfrankisch of Luxemburgs).
  • * Jiddisch is van Hoogduitse origine en wordt ook al eeuwen lang in de Nederlanden gesproken, zei het door een heel klein aantal mensen.

De oorsprong van de huidige taaltoestand ligt in de verspreiding van drie belangrijke Germaanse stammen in de Nederlanden: de Friezen, de Saksen en de Franken. Zij brachten elk hun taalvarianten mee die tot op vandaag de taalkaart hebben bepaald. De Friezen waren de eersten van deze stammen die de kustgebieden van de lage landen innamen, tot diep in Vlaanderen. Zeker vanaf de heerschappij van Karel de Grote begonnen de Nederfrankische dialecten in opmars te geraken.

Het Nederfrankisch en het Nedersaksisch zijn zustertalen, in die zin dat ze in zekere zin eigenlijk èèn aaneensluitend dialectencontinuüm vormen maar toch een onderscheid kan gemaakt worden tussen de twee takken. Fries valt buiten dit continuüm, al zijn er in de loop van de eeuwen wel beïnvloedingen geweest.

Alle deze dialectengroepen worden wel tot de zogenaamde 'Ingvaeoonse' groep gerekend (ook wel de Noordzeegroep), waar ook het (Oud)Engels toe behoort. De groep werd vernoemt naar het begrip 'Ingvaeones', de naam die de Romeinse geschiedschrijver Tacitus gaf aan de stammen van de Germanen rond de Noordzee. Het betreft vooral een taalkundige omschrijving, gebaseerd op de 'Ingwaeoonse klankverschuiving' die de talen en dialecten van de Noordzee afsplitste van de zuidoostelijke talen en dialecten die Hoogduits zouden worden. Deze klankverschuiving is aanwezig in alle Germaanse talen van de Noordzee, maar in verschillende mate. De verschuivingen komen het sterkst voor in Fries en Engels en ook het West- en Frans Vlaams, maar zijn amper nog te vinden in het Algemeen Nederlands van vandaag.

Enkele voorbeelden van deze Ingwaeoonse klankverschuivingen zijn:
Het verdwijnen van de nasale 'n' tussen een klinker en de 's' of de 'v': vijf (nl), five (nl), fiif (fry), tegenover het duitse 'funf'. Dit is niet in alle dialecten even sterk doorgedrongen. Zo is een gans in het Nederlands een gans gebleven, maar in het Engels goose en in het Fries goes.
De verschuiving van 'u' naar 'i' is ook kenmerkend. De Nederlandse woorden "put", "dun", "brug" verschuiven naar "pit", "thin", "bridge" in Engels, "pit", "dinne", "brigge" in West Vlaams en "pet", "tin" en "brêgge" in het Fries.

Ondanks het feit dat Nederfrankisch en Nederduits nauw aaneen sloten is het Nederfrankisch uitgegroeid tot een nu belangrijke en officiële cultuurtaal in Europa maar het Nederduits niet. Dit had vooral te maken met geopolitieke machtsverhoudingen tussen de saksisch-sprekende Hanzesteden, de Frankisch-sprekende Nederlanden en wat overbleef van het Hoogduits sprekende Heilig Roomse Rijk. Na de teloorgang van de macht van de Hanzesteden raakte het Nedersaksisch in de verdrukking. Van dan af was het Nederlands, vooral de dialecten van Vlaanderen en Brabant, de toonaangevende handelstaal langsheen de noordelijke kusten. Ook het Hoogduits werd belangrijker en het Nederduits kwam in een tweederangsrol. Fries bleef altijd het buitenbeentje en raakte steeds verder in de verdrukking. Een groot deel van het oorspronkelijke Friestalige gebied werd door het Nedersaksisch overgenomen. Thans bestaan enkel nog Westerlauwers, Saterlands en Noord-Fries, de twee laatsten elk niet meer dan enkele duizenden sprekers.

Er is geen eenduidigheid rond de preciese indeling van de dialecten. Vooral de Nedersaksische dialecten in het noordoosten van Nederland en de grensdialecten met het Hoogduits geven wel problemen. Het zijn geen Nederfrankische dialecten maar worden dikwijls wel als dialect van het Nederlands beschouwd. Men moet daarbij rekening houden met het gegeven dat 'Nederlands' eigenlijk pas vanaf de Statenbijbel als een standaardtaal opgang begon te maken en zelf het derivaat is van verschillende artificieel samengebrachte dialecten, waar ook de Nedersakische een (zij het kleinere) bijdrage aan gegeven hebben.

Indien we als criterium de verwantschap tussen talen aannemen, dan is het moeilijk een precieze grens te trekken met het Nederduits en het Hoogduits. Het dialect van Bentheim in Duitsland staat bijvoorbeeld dichter bij het AN dan een aantal Limburgse dialecten. Het Afrikaans geldt als aparte taal sinds een eeuw, maar staat dan weer dichter bij het AN dan het zuid-west/Frans Vlaams.

Nederfrankische dialecten

Het Nederlands komt eigenlijk van het Nederfrankrisch, de taal meegebracht door de Franken in de streek aan de Noordzee waar nu ongeveer Vlaanderen en een deel van Nederland liggen. Het Nederlands heeft wereldwijd zo'n 24 miljoen sprekers (Afrikaans niet meegerekend), waarvan het grootste deel in de Europese lage landen. Het Limburgs wordt dikwijls ook als een dialect van het Nederlands beschouwd, maar daar is eigenlijk geen echte consensus over. Limburgs ligt in het overgangsgebied tussen de Nederfrankische en Middenduitse dialecten. Het heeft officiële erkenning als streektaal in Nederland. Als officiele landstaal van België (Vlaanderen) en Nederland is het Nederlands niet bedreigd (althans niet op de korte termijn). Maar er worden ook dialecten gesproken buiten die landen, met name in Frans Vlaanderen en in de Nederrijn, waar de taal wel onder druk staat.

Deze kaart van Wikipedia laat het feitelijke historische verspreidingsgebied als spreektaal zien van het Nederlands en zijn dialecten. Daar moet wel bij opgemerkt worden dat in de praktijk het Nederlands op het hele grondgebied van Nederland een officiële taal is en tegenwoordig door heel wat mensen ook wordt gebruikt als spreektaal in de gebieden die tot het Nedersaksische of Friese taalgebied worden gerekend. Deze taalgebieden zijn daardoor in de praktijk tweetalig geworden. Iedere Nederlandse staatsburger wordt verondersteld Nederlands te spreken. Alles bij elkaar telt het Nederlands vandaag meer sprekers dan alle Scandinavische talen bij elkaar, die opgeteld aan ongeveer twintig miljoen komen.

Het oudst bekende geschreven document in Oud Nederlands (voorlopig gekend) is het manuscript van de Wachtendonckse Psalmen, dat vermoedelijk rond het jaar 900 werd geschreven in een klooster in Munsterbilzen, nu deelgemeente van Bilzen in (Belgisch) Limburg. Dit document was een vertaling van een Latijnse tekst.

Wat we als het Standaardnederlands beschouwen is het product van de Statenbijbel, de eerste belangrijke vertaling van de Bijbel in het Nederlands, een project van de Nederlandse Staten-Generaal in 1637. Het taalgebruik in deze bijbelvertaling werd geselecteerd uit voornamelijk Brabants en Hollands en in mindere mate uit andere dialecten en streektalen. Het huidige Nederlands baseert zich voornamelijk op die bijbelvertaling wat woordenschat en grammatica betreft. De spelling is ondertussen wel een aantal keren hervormd geweest.

Frans-Vlaams

In de zogenaamde Westhoek, thans deel van het Franse departement Nord-Pas-de-Calais (samen met de picardisch sprekende regio van de Ch'ti), wordt nog steeds een variant van het West-Vlaams gesproken, hoewel dit dialect de voorbije eeuwen zwaar in de verdrukking is komen te staan. Het gebied behoort al eeuwen tot Frankrijk, maar het was pas met de opkomst van industriële kernen in onder meer Duinkerken dat de verfransing sterk op gang kwam.

De meeste Nederlandse dialecten zijn de afgelopen eeuwen sterk naar elkaar gegroeid onder invloed van de standaardtaal. Het Frans-Vlaams, dat staatkundig geïsoleerd lag van de rest van de Nederlanden, heeft die invloed bijna niet gehad, waardoor deze streektaal nog steeds over een groot patrimonium aan oude woordenschat en uitdrukkingen beschikt dat elders in het Nederlandse taalgebied verloren is gegaan. Bovendien zijn er ook nog sterke regionale verschillen, zo zegt men in het noorden van het gebied 'meisen' en in het zuiden 'meerte' tegen meid. De onvoltooid verleden tijd van zwakke werkwoorden gebeurt met het achtervoegsel 'ede', bijvoorbeeld ik bakkede (ik bakte). Een ander voorbeeld is de laatste letter 's' in woorden, die in Frans Vlaanderen als 'sj' uitgesproken wordt: vleesj, dansj. En uiteraard spreken ze ook de 'g' als 'h' uit en de 'h' als 'g', zoals in West-Vlaanderen, een karakteristiek die overigens vroeger veel wijder verspreid was. Enkele jaren geleden verscheen er een woordenboek Frans-Vlaams samengesteld door Cyriel Moeyaert (Davidsfonds), die een halve eeuw lang het dialect uitvoerig bestudeerd heeft.

In de negentiende eeuw bestonden er nog dorpen die eentalig Vlaams waren. Door de invoering van het verplicht onderwijs in het Frans zijn alle Frans-Vlamingen van de generaties na de tweede wereldoorlog tweetalig opgevoed. De afgelopen drie decennia is het dialect in versneld tempo achteruit gegaan omdat het amper wordt doorgegeven aan de volgende generaties. Nu spreken wellicht nog enkele tienduizenden mensen het, vooral ouderen.

Frankrijk heeft het Frans-Vlaams als een regionale streektaal erkend, maar niet als een Nederlands dialect. Frankrijk heeft enkele experimenten met onderwijs in het Frans-Vlaams georganiseerd, wat overigens op kritiek vanwege de Vlaamse Overheid werd onthaald, zij meent dat in plaats van dialect beter Algemeen Nederlands zou onderwezen worden. Verschillende culturele organisaties, zoals het ANVT (Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele), stellen dat het Frans-Vlaams eigenlijk geen dialect is maar een zustertaal van het Nederlands. Door veel 'Ingweoonse' invloeden wijkt het Frans-Vlaams inderdaad wel sterk af van het A.N.

Sinds enige tijd is er een heropleving van een regionele identeit, net als in de buurregio Picardië. De taal speelt daarbij wel een folkloristische rol, maar het aantal moedertaalsprekers gaat nog steeds achteruit. Er bestaan wel verschillende taal- en cultuurorganisaties die zich bezig houden met het voortbestaan van het Frans Vlaams. Zo is er onder meer de radiozender Uylenspiegel.

Door recente economische ontwikkelingen in de regio is er weer meer contact gegroeid tussen de beide kanten van 'de schreve'. Frans-Vlamingen gaan werken over de grens en Vlaamse bedrijven vestigen zich in Frans-Vlaanderen. Daardoor is er een hernieuwde interesse in het leren van Nederlands. Dat is evenwel het Algemeen Nederlands, zodat het Frans-Vlaamse dialect zelf er amper of niet de vruchten van plukt en blijft achteruit gaan.

Voorbeeld van een Frans-Vlaams dialect: een oud volksliedje, 'den oven':
Deur de kracht van nuuzen oven kryg je de gezondheid were
voor diegeene die 't gelooven zy zyn vry van smart en zeer.
Komt alhier, alhier, alhier we gaen jeuder verbakk'n in 'n oven
Komt alhier, alhier, alhier en vreest noch vlamme noch vier.

Kleverlands.

De noordelijke Maas-Rijnse dialecten die in Duitsland worden gesproken behoren ook tot het Nederfrankische taalgebied. Deze dialecten strekken zich uit over de Nederrijn, de regio rond Kleef en Duisburg, het noorden van Nederlands Limburg en zuid-Gelderland. Het Kleverlands sluit ook aan bij de Limburgse dialecten, al heeft het al meer Brabantse trekken, bijvoorbeeld 'gij' en 'gillie' voor het Limburgse 'dich' (jij) en 'geer' (jullie). In het Noorden gaan de dialecten gelijdelijk over in het Nedersakisch en in het westen is de grens met Hollands en Brabants ook niet duidelijk te trekken.

Het Nederlands kende tot de negentiende eeuw een veel groter verspreiding als gevolg van handelsactiviteiten (Nederlandstalige reizende theatergezelschappen trokken zelfs tot in Koningsbergen). De protestantse beweging heeft de taalgrenzen sterk gewijzigd. Nederduitse en Nederlandstalige gebieden waar het Lutheranisme ingang vond sloten zich linguïstisch snel aan bij het Hoogduits (Luthers Bijbelvertaling speelde daar een grote rol in). De gebieden die Calvinistisch werden richtten zich op het Nederlands.

De staatsgrens is nu in toenemende mate ook een dialectgrens aan het worden. Het Kleverlands aan weerszijden groeit uit elkaar onder de invloed van respectievelijk het Algemeen Nederlands en het standaard Duits. Nederlands wordt nu nog steeds onderwezen in een aantal scholen.

Nedersaksisch of Nederduits

Het Nederduits wordt gesproken in Duitsland en Nederland (waar het ook Nedersaksisch genoemd wordt). Het verschilt sterk van het Hoogduits (waar het standaard Duits op gebaseerd is). Nederduits ligt dichter bij Nederlands, maar staat er naast.
Terwijl het Nederlands oorspronkelijk van de Franken kwam, kwam Nederduits van de Saksen en heeft het ook een verwantschap met het Engels (cfr old voor oud en kold voor koud). Maar er is wel een sterke wederzijdse invloed geweest.

Op deze Wikipedia-kaart is het spreidingsgebied van Nederduits en Nedersaksisch te zien.

Nederduits is nu een minderheidstaal in zowel Nederland (waar Nedersaksisch wordt gesproken) als Duitsland, maar ooit was het dé bestuurs- en cultuurtaal van de Hanzesteden en heeft het ook een sterke invloed uitgeoefend op het Deens. Na de Duitse eenmaking heeft het Saksisch de dominante rol moeten prijsgeven aan het Hoogduits. Ooit werd het Saksisch gesproken tot in Litouwen en Kaniningrad (Koningsbergen) maar de tweede wereldoorlog heeft de taalgrens ver naar het westen herlegd. Men schat dat er nu toch nog steeds zo'n twintig miljoen sprekers zijn, al zijn ze meestal tweetalig (met Duits of Nederlands, officiële bestuurstalen). Net als veel andere streektalen gaat het Nedersaksisch snel achteruit, de taal wordt amper nog aan volgende generaties doorgegeven.

Er bestaat geen geüniformeerde standaard voor het Nederduits/Nedersaksisch. Deze taal raakte vooral vanaf de negentiende eeuw gekneld tussen het Nederlands en het Hoogduits, die een veel groter prestige hadden verworven. Nedersaksische dialecten zijn nu wel erkend als streektalen in zowel Nederland als Duitsland. Dialectengroepen in Nederland zijn: het Westerkwartiers, Gronings en Noord Drents, Stellingwerfs, Midden Drents, Zuid Drents, Twents, Gelders-Overijsels (met Achterhoeks) en Veluws. In Groningen en Oost Friesland (Duitsland) zijn er varianten die een sterke invloed van het Fries hebben ondergaan. De naam Nedersaksisch wordt overigens alleen in de taalkunde gebruikt. Er bestaat geen echte Nedersaksische identiteit, meestal noemen de sprekers hun taal gewoon 'plat' of 'platduuts', wat eerder een pejoratieve benaming is.

Voorbeeldtekst van het Achterhoekse dialect van het Nedersaksisch, dat al meer tegen het Nederlands aanleunt: een fragment van "Blief hier!" uit de bundel "Landvolk, Achterhooksche Vertelsels" door G.J. Meinen (1881-1934): BLIEF HIER !

t Is op ne zunnigen zommerzondag.
De rogge hef 't bleuien edaone, maor is nog greun.
In sommige maö, is 't heuigrös al emaeid, in andere steet het nog te wassene met de bonte bloomen der tusschen, in nog andere löp het vee röstig te weidene. Hooge in de loch scheart de zwaalvers hen en waer.
Dina was 's morgens nao de kerke hen ewest. Nao 't aeten hadde ze de taofele an de zied emaakt en veur vader, mooder en eur breur Hendrik thee zat en inegottene.
Noo hadde Dina de tied an zieh.
Vader zat onder den sneeballenbosch, kort bi'j de putte, op ne olden, leegen, gemakkestool en kwam noo en dan in den dommel. Mooder zat kort bi'j em, met de brille hooge veur 't veurheufd en 'n groot book op de hande in den schoot. Ze las en bleef an 't laezen op dezelfde bladzie, zonder dat ze 't eigens markten. Hendrik was weg esleurd, den diek op.
,,'k Leuve, da'k mi'j ok is luk vertrae"; zae Dina.
,,Good", zae mooder, zonder van eur book op te kiekene.
Vader was haoste te lui umme de mond los te doone en nikten dree-, veermaol achtereene.
Barste keek Dina is rond, of ze Hendrik nog zag. Hee was nargens meer te bekennene. - Noja; dan genk ze maor alleene. Teggen 't huus ston ne grooten rozenbosch, wal luk verwilderd, want hee was in gin jaorn esneuid. Hee zat noo vol witte rozen, van ondern tot bovven; wal doezend zatten der an. Dina plukten der eene af, rook der an en stak doo 't stelleken in de mond. Waor wol ze hen?
Ja; waor zol ze eigenluk is hen op gaon. 't "Was eur haoste aevenvölle. Ze leep zoo maor is 'n ende weg, ovver de greune weld, onder den blauwen hemel, in den heldern zunneschien. He jao; wat was 't mooi waer! En wat was 't stillekes.

Fries

Fries is een talengroep die sterk met het Engels verwant is en ooit langsheen de noordzeekust werd gesproken vanaf wat nu Vlaanderen is tot aan de Deense grens. Wat doorgaans gewoon als 'het Fries' wordt benoemd is eigenlijk Westerlauwer Fries, dat één variant is, naast varianten die in Duitsland worden gesproken.

Er is soms enige begripsverwarring rond 'Westfries'. Westfries in Nederlandse zin slaat eigenlijk op een aantal Hollandse dialecten (met sterke Friese invloeden) die in Noord-Holland worden gesproken. Buiten Nederland wordt met 'West Fries' wel het Westerlauwerfries bedoeld, als contrast met het Seeltersk of Saterfries (Saterland in Duitsland) en het Noordfries (tegen de Deense grens). Vroeger werd ten oosten van de rivier Lauwers, in Groningen, het Oosterlauwers gesproken, maar dat is volledig verdwenen ten voordele van Nedersaksische dialecten die op hun beurt ook wel, zij het onterecht, Ostfriesisch Platt worden genoemd. Het Seeltersk in Saterland is aan het vroegere Oosterlauwers verwant.

Westerlauwers is het Fries dat we kennen uit de Nederlandse provincie Friesland (Fryslân, met als hoofdstad Leeuwarden of Ljauwert). Zo'n 450 000 mensen kunnen het spreken, daarvan gebruikt ongeveer 350 000 het als moedertaal. Er bestaat een Standaardfries, dat in Nederland wordt gehanteerd in onderwijs, bestuur en media. Deze standaard gebaseerd op Westerlauwers werd opgesteld in 1980 door de zogenaamde steatestavering> of Statenspelling. Het (Westerlauwers) Fries heeft al enkele decennia een statuut als bestuurstaal in de provincie Friesland/Fryslân, die officieel tweetalig is. Het Fries werd al langer gebruikt in het gerecht maar in '97 werd ook bij wet vastgesteld dat het Fries een evenwaardige status heeft in de rechtspraak. Sedert 1980 wordt Fries onderwezen in het onderwijs. Veel gemeenten zijn in de praktijk tweetalig en een aantal gemeenten hebben er sedert kort voor gekozen hun gemeentenaam voortaan officieel in het Fries te gebruiken. Niettemin is er voor de Friese taalbeweging nog werk voor de boeg want overheidsdocumenten zijn bijvoorbeeld vaak nog steeds enkel in het Nederlands beschikbaar en hoewel Fries in lokale gerechtskantons gebruikt mag worden kan dit wel problemen opleveren in hoger beroep. Wat de media betreft is vooral 'omrop Fryslân' van belang, dat dagelijks radio en televisie uitzendt in het Fries. Op nationaal niveau schenkt de Omroep Nederland enkele keren per week aandacht aan het Fries (onder andere voor Schooltelevisie). De Fryske Akademie, opgericht in 1938, is ook van vitaal belang voor de taal en de Friese cultuur. Daarnaast is er de meer militante 'Praat mar Frysk' beweging die acties en campagnes voert om het Fries weer te promoten.

Het Seeltersk of Saterfries in het Duitse Saterland is het enige restant van het Oosterlauwers en wordt door hooguit enkele duizenden mensen nog gesproken. Deze variant verschilt sterk van het Westerlauwers, zodat ze onderling moeilijk verstaanbaar zijn.

Het Noord fries is de meest bedreigde variant van het Fries. Deze taal verschilt vrij sterk van de andere varianten als gevolg van de lange afstand en de geofrafische isolatie. Noord-Fries kent geen standaard en de dialecten zijn meestal onder elkaar niet te verstaan. Taalgemeenschappen zijn klein en verspreid, over vasteland en eilanden.De meeste dialecten zijn dan ook aan het uitsterven, behalve enkele uitzonderingen zoals Feering, Öö mrang en Bö kinghards, die een culturele heropleving kennen, al is het nog niet duidelijk hoe sterk die opleving het in stand houden van het Noord-Fries op langere termijn zal helpen. Positief is dat Duitsland het Noord-Fries erkent en dat er bijvoorbeeld werk wordt gemaakt van tweetalige plaatsnaamborden.

Een voorbeeld van het Westerlauwerfries is het volkslied van Friesland,
De âlde Friezen:

Frysk bloed tsjoch op! Wol no ris brûze en siede,
En bûnzje troch ús ieren om!
Flean op! Wy sjonge it bêste lân fan d'ierde,
It Fryske lân fol eare en rom.
Klink dan en daverje fier yn it rûn
Dyn âlde eare, o Fryske grûn!
Klink dan en daverje fier yn it rûn
Dyn âlde eare, o Fryske grûn!

Limburgs

Limburgs is eigenlijk de verzamelnaam voor dialecten die onderling nogal sterk verschillen. Sommige dialecten in de deografische omschrijving 'Limburg' van vandaag zijn eigenlijk Brabantse dialecten, andere dialecten behoren tot het Midden en Hoogduits. Ook in Duitsland en in de provincie Luik worden Limburgse varianten gesproken (onder meer Welkenraedt). Datgene wat over het algemeen als 'Limburgs' wordt beschouwd (waar de 'k' klank naar 'ch' is verschoven zoals in "ich" en waar met tonaliteit wordt gewerkt) is vooral Zuid-Limburgs. Men kan het ook als een overgangsdialect beschouwen tussen Nederlands en Duits, samen met de zogenaamde Moezelfrankische en Ripuarische dialecten.

De Limburgse dialecten worden ingedeeld volgens twee zogenaamde 'linies', de Benratherlinie en de Uerdingerlinie, die beiden gebaseerd zijn op de 'k/ch' klankverschuiving, soms worden ze ook wel de ik/ich en maken/machen linies genoemd. Deze kaart geeft het historische taalgebied van Limburgs weer.

Uit het Limburgs komen enkele van de oudst gekende neergeschreven Nederfrankische teksten, de zogenaamde Wachtendonckse Psalmen, genoemd naar de kannunik Arnold Wachtendonck uit Munsterbilzen (16de eeuw), die een handschrift gevonden had in zijn abdij dat vermoedelijk uit de tiende eeuw stamde. Toch heeft Limburgs weinig invloed gehad op de vorming van het Algemeen Nederlands, dat vooral een Brabants-Vlaams-Hollandse zaak was. Dat is ook een van de redenen waarom Limburgs als aparte streektaal werd erkend in Nederland.

Via het zuid-oosten van Limburg, waar men 'ich mach' zegt volgens de eerder genoemde 'linies', vloeit het Limburgs over in het Ripuarisch of 'middenfrankrisch', dat doorgaans al als dialect van het middenduits wordt beschouwd (de lokale bevolking spreekt over 'Platdiets', niet te verwarren met het 'Plattduuts' van het Nederduits). Er bestaat een 'dialectencontinuüm' van Limburgs-Ripuarisch in het gebied van de oostkantons (de streek rond Eupen) en aan de andere kant van de Belgisch-Duitse grens (hierover verder meer). In Wallonië wordt het 'plattdüts' ook erkend als streektaal, al staat daar in de praktijk geen politiek beleid tegenover.

Er zijn heel wat Limburgse taal en cultuurorganisaties. Enkele voorbeelden zijn KengKee (www.kengkee.nl), over het Maastrichtse stadsdialect, en Veldeke (www.veldeke.net en www.veldeke.be).

Middelduitse dialecten

Als overgangsgebied tussen de Nederlandse (Nederfrankische) en de Hoogduitse dialecten wordt het Middelduits genoemd (dat evenwel dichter bij Duits dan bij Nederlands ligt). Twee dialectgroepen van het Middelduits die in de Benelux worden gesproken zijn het Middenfrankisch (Ripuarisch) en het Moezelfrankisch (Luxemburgs). Limburgs zoals hierboven vermeld sluit er ook nauw bij aan.

Het Middenfrankisch of Ripuarisch wordt gesproken in de streek rond Keulen en het midden- Rijnland, in zuid-oost Limburg en in het oosten van de provincie Luik. In de Oostkantons werd dus oorspronkelijk dit dialect gesproken, maar toch werd gekozen voor het standaard Duits als taal van de "Duitstalige Gemeenschap".


Afhankelijk van de invalshoek wordt dus ook het Limburgs ook als een aan het Ripuarisch verwante Middelduits dialect beschouwd in plaats van een Nederlands dialect. Een van de criteria is de genoemde 'Benratherlinie'. Bepaalde Limburgse dialecten kennen die verschuiving ook, andere niet. Er is er ook een vage zone waarin sommige woorden wel die klankverschuiving kennen maar andere niet. Daarom wordt ook wel meer specifiek naar 'ik' en 'ich' gekeken, de Uerdingerlinie. De Ik-dialecten worden dan tot het Nederlands gerekend, de Ich-varianten tot het Middelduits. Maar sluitend is deze methode ook niet.

Enkele markante kenmerken van het Ripuarisch dialect van de regio van Kerkrade zijn bijvoorbeeld: de vervanging van 'g' door 'j' zoals in 'jod' voor 'goed' en 'verjease' voor 'vergeten'. Ook werkwoorden worden in sommige dialecten anders vervoegd, zoals bijvoorbeeld "ich lofet" voor 'ik liep'. En uiteraard zijn er heel wat Duitse leenwoorden.

Het Moezelfrankisch (waar ook Luxemburgs toe behoort) is een groep dialecten gesproken in Luxemburg, in de streek Sankt-Vith, in en rond Aarlen en in de westelijke Eifel in Duitsland. Ongeveer 300 000 mensen spreken het. Sinds 1984 is het Luxemburgs een officiële taal in Luxemburg en wordt het ook gebruikt in het bestuur. Maar het is vooral een straattaal, in media en onderwijs speelt de taal weinig rol en staat het in de schaduw van Frans en Duits. Maar de taal weet zich wel te handhaven bij nieuwe generaties. Moezelfrankisch is nauw verwant met het Lotharingisch, een dialect dat in het Franse Lotharingen wordt gesproken (niet te verwarren met het Lorrain, een Romaans Oil-dialect in dezelfde regio).

Duits (Hoogduits of Standaardduits).

Hoewel de dialecten van de Oostkantons en het Luxemburgs eigenlijk tot het Middelduits horen hanteert de Duitstalige Gemeenschap het Standaard Duits als gemeenschapstaal. Duits geldt daarmee ook als een van de officiële landstalen van België. Meer en meer mensen in de Oostkantons gebruiken ook het Standaardduits, zodat deze taal stilaan ook tot het feitelijke talenpatrimonium van de Benelux kan gerekend worden.

Het statuut van "streektalen".

Fries, Nedersaksisch en Limburgs hebben in Nederland een officieel statuut gekregen. De eerste twee worden sowieso niet tot de Nederlandse taal gerekend, Limburgs over het algemeen wel. Volgens de criteria die onder meer door het 'handvest voor regionale talen of talen van minderheden' van Europa worden gehanteerd gelden de eerste twee als minderheidstalen, het Limburgs als streektaal. Nederland heeft voor een andere indeling gekozen. Als uitgangspunt wordt de vraag gesteld of een streektaal een wezenlijke historische bijdrage heeft geleverd aan het Algemeen Nederlands (zoals dat over de eeuwen heen is gegroeid). Dit is zeker het geval voor Brabants, Vlaams en Hollands, maar weinig tot niet voor Limburgs, Nedersaksisch en Fries, die altijd in de periferie van het 'kernland' hebben bestaan. Op basis van dit criterium werd bijvoorbeeld het Zeeuws geen statuut van streektaal gegeven, al valt de 'bijdrage' die een dialect aan het algemeen Nederlands heeft gegeven moeilijk statistisch te becijferen.

Jiddisch

Het Jiddisch is een joodse taal afgeleid van het Hoogduits. Het wordt door een kleine gemeenschap wijd verspreid gesproken, vooral in Oost Europa en in de V.S., maar ook in mindere mate in de Joodse gemeenschappen in Nederland en Vlaanderen, al eeuwen lang. Het wordt niet als een streektaal beschouwd omdat de territoriale verspreiding daarvoor te klein is, de Jiddisch sprekende gemeenschap beperkt zich tot een klein aantal sprekers in steden als Antwerpen en Amsterdam. Jiddisch heeft wel invloed gehad op de Nederlandse taal, vooral in Holland, met bekende woorden en uitdrukkingen als 'bajes' (gevangenis), 'gabber' (vriend), 'jatten' (stelen), 'mazzel' (geluk), 'mesjogge' (gek), 'stiekem' (heimelijk), ...

Koloniale talen

Buiten Europa zijn er nog streken waar Nederlands of varianten daarvan worden gesproken. Dit is zeker het geval in (voormalige) kolonies van Nederland: Suriname, Aruba, de Nederlandse Antillen, Indonesië en Zuid Afrika. Door emmigratie zijn er ook lokale Nederlandstalige gemeenschappen ontstaan in de VS, Canada, Nieuw Zeeland en Australië.

Het Afrikaans wordt sinds 1925 als een aparte taal beschouwd, gesproken in Zuid Afrika en Namibië door ongeveer 6,5 miljoen mensen (waarvan overigens 'slechts' de helft blanken). Dat het Afrikaans een aparte taal werd is vooral een politieke keuze geweest. Het Afrikaans staat dichter bij het Standaardnederlands dan dialecten als Limburgs en West Vlaams.

Slot

Uitgaande van taalkundige definities en politieke erkenning komen we tot de slotsom dat er in de regio van de "lage landen" maar liefst acht verschillende Germaanse talen worden gesproken: Nederlands, Nedersaksisch, Fries, Limburgs, Ripuarisch, Luxemburgs, Jiddisch en Hoogduits. In hoeverre dit patrimonium zal behouden blijven in de komende eeuw is nog niet duidelijk, een aantal van de streektalen wordt als 'bedreigd' beschouwd, een tendens die overigens wereldwijd bestaat.

In dit eerste overzicht hebben we ons beperkt tot de Germaanse talen, maar in de Benelux worden uiteraard ook Romaanse gesproken, met Frans als bekendste voorbeeld. In de volgende bijdrage zullen we het hebben over de Langues d'Oil, die worden gesproken in Wallonië en de noordelijke helft van Frankrijk.

K. De Laet


'De Romaanse talen in de Benelux': volgende artikel in deze reeks.

'De vergeten talen van Europa': eerste artikel in deze reeks.

terug naar de Horizon.taal indexpagina

Laatste aanpassing van deze bladzijde: 09-02-2017