Esperanto
FEL, waar de Esperantobeweging beweegt!
Contacteer ons Contacteer ons
Zoek in de webbladzijden van de VEB
in de webbladzijden van de VEB

 

Suske en Wiske praten Esperanto!

Tips voor Nederlandstaligen die Esperanto leren

Uitspraak

C

De letter c altijd als de ts van muts of van tsaar uitspreken. Spreek de c nooit als k of s uit.

cento: niet sento zoals in het Frans maar tsento
ceteroj: niet seteroj zoals bij etcetera maar tseteroj
certe: niet serte zoals in het Frans maar tsertee

E

De letter e altijd vol uitspreken. De stomme e (de uh-klank van bijvoorbeeld de en ze) komt in het Esperanto niet voor.

sane: niet sanuh maar saanee
vere: niet veruh maar veeree

G

De letter g altijd hard uitspreken, zoals bij het Engelse great en het Franse garçon. De zachte g wordt gevormd door de letter ĥ.

H

De letter h valt nooit weg maar wordt altijd nadrukkelijk aangeblazen.

hodiaŭ: niet odiaŭ maar hodie-aŭ
hela: niet ela maar heelaa
havi: niet avi maar haavie

I

De letter i moet altijd als ie worden uitgesproken, en nooit als korte i zoals bijvoorbeeld in kip of ik.

kripla: niet zoals in het Engelse cripple maar kriepla
kripo: niet zoals kribbe maar kriepoo

De tweeklank ie bestaat niet in het Esperanto, dus als men deze twee letters achter elkaar tegenkomt moet men ze beide uitspreken.

alie: niet aalie maar aalie-ee
trie: niet trie maar trie-ee

Ook de ei en de ij bestaan niet.

reiri: niet reirie maar ree-ierie
rijeto niet rij-eeto maar riejeetoo

O

De tweeklank oe bestaat evenmin in het Esperanto.

poento: niet poento maar po-ento
poemo: niet zoals in puma maar po-eemo
Groenlando: niet zoals Groenland maar gro-enlando

U

De letter u altijd als oe uitspreken (zoals in het Duitse gut), en nooit als uu zoals in muur.

muro: niet muuro maar moero
truko: niet zoals truuk maar troeko

De letter ŭ vormt de enige tweeklanken in het Esperanto, namelijk de aŭ en de eŭ. Andere tweeklanken zoals de ie, de oe, de ij en de ei bestaan niet. Zij mogen dus ook niet worden uitgesproken. Let goed op of er een accent op de letter u staat. Als er geen accent staat is het geen tweeklank.

reuzi: niet zoals in reus maar ree-oezie
praulo: niet praulo maar pra-oelo

Als er wel een accent op de letter u staat is het uiteraard wel een tweeklank.

naŭzi: niet naa-oezie maar nauzie
naŭ: niet naa-oe maar nau zoals in pauw.

De letters q, w, y en x komen in het Esperanto niet voor. Men moet ze daarom ook helemaal niet gebruiken. In internationale woorden geldt:

q wordt k, kv of ku, dus niet quanto maar kvanto en niet qualito maar kvalito.
x wordt ks of kz, dus niet extra maar ekstra en niet extrapoli maar ekstrapoli.
y wordt i, dus niet hysterio maar histerio.
w wordt v, dus niet watto maar vatto.

De letters ĉ, ĝ, ĥ, ĵ en ŝ zijn afzonderlijke zelfstandige letters. In het algemeen versterkt het accent de uitspraak van de oorspronkelijke letter.

Ĉ is de tsj-klank van tsjech en tsjakka.

ĉaro niet zoals kar maar tsjaaro
ĉarma niet zoals charmant maar tsjarma
ĉesi niet zoals Engels cease maar tsjesie
ĉeko niet zoals cheque maar tsjeeko
ĉerizo niet zoals Frans cerise maar tsjeriezo

Ĝ is de dzj-klank van het Engelse gentleman.

ĝermo niet zoals Engels germ maar dzjermo
ĝiri niet zoals gireren maar dzjierie
ĝardeno niet zoals Engels garden maar dzjardeno

Ĥ is de zachte g van lachen, parochie en dergelijke.

eĥo zoals echo
ĥoro niet zoals koor maar choro
ĥaoso zoals chaos

Ĵ is de zj-klank van Jean en Jacques.

ĵaluza niet zoals jaloers maar zjaloeza
ĵudo niet zoals judo maar zjoedo
ĵurio niet zoals jury maar zjoerie-o

Ŝ is de sj-klank van machine en chocolade.

ŝnuro niet zoals in snoer maar sjnoero
ŝtormo niet zoals in storm maar sjtoormoo
ŝviti niet zoals in zweten maar sjvietie

Als twee maal dezelfde medeklinker achter elkaar voorkomt, dan moet deze medeklinker ook twee maal worden uitgesproken.

finno niet fienoo maar fien-no

Klemtoon

De klemtoon ligt altijd op de voorlaatste lettergreep, ook bij woorden waar het Nederlands de klemtoon anders pleegt te leggen. Bij woorden van één lettergreep ligt de klemtoon uiteraard op deze ene lettergreep. Een lettergreep wordt gevormd door een klinker of tweeklank met eventueel de medeklinkers die eromheen staan.

niet opinio maar opinio niet projekcio maar projekcio

Lidwoorden

De lidwoorden de en het worden in het Esperanto altijd vertaald met la, maar het onbepaalde lidwoord een wordt niet vertaald, bijvoorbeeld:

Mi vidas arbon. Ik zie een boom.
Mi vidas unu arbon. Ik zie 1 boom.
Mi prenis glason. Ik nam een glas.
Mi prenis unu glason. Ik nam 1 glas.

Lijdend voorwerp, -n, vierde naamval

Het lijdend voorwerp is dat deel van de zin dat de handeling van het werkwoord ondergaat, bijvoorbeeld: hij slaat de fiets, of ik open de kast. Een van de lastigste onderdelen van Esperanto is het gebruik van de -n uitgang om de 4de naamval (het lijdend voorwerp) aan te duiden. In het Nederlands gebeurt dit via de woordvolgorde, maar dit is in het Esperanto zeker niet het geval. Vergelijk:

Johano vidas la gardiston.
La gardiston vidas Johano.

Beide zinnen betekenen hetzelfde, terwijl in het Nederlands de betekenis wordt omgedraaid:

Jan ziet de bewaker.
De bewaker ziet Jan.

In het Nederlands herkennen wij het lijdend voorwerp doordat het achter het werkwoord staat. In het Esperanto heeft het lijdend voorwerp de -n uitgang. Men moet zichzelf door veel oefening het gebruik van de -n uitgang aanleren. Daarom volgen hier de nodige voorbeeldzin- nen:

Li lerte riparis la biciklon.
Hij herstelde handig de fiets.

Petro purigas la telerojn kaj kuirpotojn.
Peter maakt de borden en pannen schoon.

Ŝi atente legas la revuojn.
Zij leest aandachtig de tijdschriften.

Kaseda magnetofono povas registri kaj reaŭdigi muzikon kaj sonojn.
Een cassetterecorder kan muziek en geluiden opnemen en weer doen horen.

La pluvo multe malsekigis la grundon.
De regen maakte de grond zeer vochtig.

En la milito ni supervenkos ilin.
In de oorlog zullen wij hen overwinnen.

Ni ĉiuvespere aŭskultis la rakontojn de Johano.
Wij luisterden iedere avond naar de vertellingen van Jan.

Mendu ankoraŭ kelkajn botelojn da lakto.
Bestel nog enige flessen melk.

Dum la printempo la unuaj folioj bele ornamas la parkojn kaj arbarojn.
Gedurende de lente versieren de eerste bladeren mooi de parken en bossen.

Ni bone povas uzi la novan kameraon.
Wij kunnen goed de nieuwe filmcamera gebruiken.

Nia fiŝkaptado preskaŭ malplenigas la maron.
Onze visvangst maakt de zee bijna leeg.

La eta knabino disŝiris la malnovan gazeton.
Het kleine meisje scheurde de oude krant uiteen.

La meblojn li elektis tre maloportune.
Hij koos de meubels zeer ongeschikt.

La komputilo tre ŝanĝos nian mondan civilizacion.
De computer zal onze wereldbeschaving zeer veranderen.

La rabistoj ŝtelos ĉion se vi ne bone fermas la pordon.
De rovers zullen alles stelen als jij niet goed de deur sluit.

Li krude forpuŝis la aliajn homojn por havi liberan vojon.
Ruw duwde hij de andere mensen weg om vrije baan te hebben.

Se vi ne ekzercas vian korpon, vi ne vivos sane.
Als jij niet je lichaam oefent, zul je niet gezond leven.

La mallonga brilado de la suno kaŭzas la vintron.
Het korte schijnen van de zon veroorzaakt de winter.

Let vooral goed op als een zin uit hoofdzin en bijzin bestaat, want zowel de hoofdzin als de bijzin kunnen een eigen lijdend voorwerp hebben, bijvoorbeeld:

Mi traktas la etajn aferojn, kiujn li ne volis trakti.
Ik behandel de kleine zaken, die hij niet wilde behandelen.

La infanoj, kiuj verkis la libreton, ankaŭ prelegis ĝin.
De kinderen, die het boekje schreven, lazen het ook voor.

Afstand, tijd, richting

De -n uitgang wordt eveneens toegepast bij maat, prijs, gewicht, afstand, afmeting of tijd, bijvoorbeeld:

Li vojaĝis du kilometrojn. Hij reisde twee kilometer.
Ŝi atendis tri horojn. Zij wachtte drie uren.
Li mortis la okan de marto. Hij stierf de achtste van maart.

In deze gevallen kan men ook voorzetsels gebruiken.

Li vojaĝis je du kilometroj.
Ŝi atendis dum tri horoj.
Li mortis en la oka de marto.

De -n uitgang kan evenwel ook worden gebruikt om een beweging of verplaat- sing aan te duiden. Dikwijls kunnen wij deze uitgang dan met naar vertalen. In dat geval staat de uitgang na een voorzetsel of achter een bijwoord. Bij de voorzetsels al (aan, naar) en ĝis (tot) staat nooit een dergelijke uitgang omdat deze voorzetsels zelf al een beweging of verplaatsing benoemen.

Li kuras en la parko. Hij rent in het park.
Li kuras en la parkon. Hij rent het park in.
La rato saltas en la tubo. De rat springt binnen in de buis.
La rato saltas en la tubon. De rat springt de buis in.
Ni promenas hejme. Wij wandelen thuis.
Ni promenas hejmen. Wij wandelen naar huis.
La kuniklo iras sub la arboj. Het konijn gaat onder de bomen.
La kuniklo iras sub la arbojn. Het konijn gaat naar onder de bomen in.
Ni veturas urben. Wij rijden naar de stad.

Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden

Een zelfstandig naamwoord is eenvoudigweg de naam van iets, bijvoorbeeld de fiets, het weer, de politiek enzovoort. Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets van het zelfstandig naamwoord waar het bijhoort, bijvoorbeeld de zware tak, het hoge huis.
Het bijvoeglijk naamwoord kan voor of achter het zelfstandig naamwoord staan, bijvoorbeeld:

vojo malluma een donkere weg
la birdo malrapida de langzame vogel

Als het zelfstandig naamwoord in het meervoud staat dan staan de erbij behorende bijvoeglijke naamwoorden ook in het meervoud.

la ruĝa ŝranko de rode kast
la ruĝaj ŝrankoj de rode kasten
la brua hundo de luidruchtige hond
la bruaj hundoj de luidruchtige honden
la verda stelo de groene ster
la verdaj steloj de groene sterren

Als het zelfstandig naamwoord de -n uitgang heeft, dan hebben de bijbehorende bijvoeglijke naamwoorden ook deze uitgang.

Li tuj ŝaltas du grandajn lumojn.
Hij schakelde meteen twee grote lichten aan.

Ĉu vi nur havas tri maldikajn valizojn?
Heb jij slechts drie dunne koffers?

Mi povus manĝi eĉ ses ravajn pladojn.
Ik zou zelfs zes verrukkelijke schotels kunnen eten.

Het bijvoeglijk naamwoord hoeft niet altijd voor of achter het zelfstandig naamwoord waar het bijhoort te staan. Als het bijvoeglijk naamwoord deel uitmaakt van het zogeheten gezegde staat het bij het werkwoord. Het gezegde drukt de kernhandeling van de zin uit. Het bestaat uit een of meerdere werkwoorden met mogelijk zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden, bijvoorbeeld:

Mi volas helpi lin. Ik wil hem helpen.

Het gezegde bestaat hier uit twee werkwoorden, te weten volas hel- pi.

Mi estas malsana. Ik ben ziek.

Het werkwoord alleen (esti) zegt niets, alleen met het bijvoeglijk naamwoord erbij krijgt het zijn betekenis (esti malsana = ziek zijn).

Ŝi iĝos flegistino. Zij zal verpleegster worden.

Het werkwoord iĝi (worden) alleen betekent niets. Daarom moet men het zelfstandig naamwoord flegistino toevoegen. Uiteraard moet men goed opletten of een zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord tot het gezegde behoort. Verwar een zelfstandig naamwoord in het gezegde niet met het onderwerp van de zin.

Surduloj estas homoj. Doofstommen (=onderwerp) zijn mensen (=gezegde).

Werkwoorden - deelwoorden

De zogeheten deelwoorden van het werkwoord zijn niets anders dan bij- voeglijke naamwoorden.

vidinta gezien hebbend
vidita gezien geworden
vidanta aan het zien
vidata gezien wordende
vidonta op het punt te zien
vidota zullende gezien worden

Als zij bij een zelfstandig naamwoord in het meervoud horen dan krijgen zij dus ook de meervouds-j.

Mi estas lavanta. Ik ben aan het wassen.
Ili estas lavantaj. Zij zijn aan het wassen.
Ŝi estas juĝota. Zij gaat berecht worden.
Ni estas juĝotaj. Wij gaan berecht worden.

Bepaling van gesteldheid

Het bijvoeglijk naamwoord kan ook nog als zogeheten bepaling van ges- teldheid voorkomen. De bepaling van gesteldheid is een soort kruising tussen een bijvoeglijk naamwoord en een bijwoord. De bepaling van gesteldheid krijgt nooit de -n uitgang van het lijdend voorwerp.

Li faras la aŭton rapidan.
Hij maakt de snelle wagen.

Li faras la aŭton rapida.
Hij maakt de wagen snel.

Li faras la aŭton rapide.
Hij maakt snel de wagen.

In de middelste zin zegt rapida iets over hoe de wagen wordt onder invloed van het werkwoord fari.

Li masaĝas la muskolojn suplajn.
Hij masseert de soepele spieren.

Li masaĝas la muskolojn suplaj.
Hij masseert de spieren soepel.

Li masaĝas la muskolojn suple.
Soepel masseert hij de spieren.

Li faras la laboron malfacilan.
Hij doet de moeilijke arbeid.

Li faras la laboron malfacila.
Hij maakt de arbeid moeilijk.

Li faras la laboron malfacile.
Moeilijk maakt hij de arbeid.

Het bijwoord, met zijn uitgang op -e, heeft twee grote verschillen met het bijvoeglijk naamwoord, te weten:

1) Het kent geen meervoud en ook geen lijdend voorwerp vorm, bijvoorbeeld: la aŭto iras rapide en ook la aŭtoj iras rapide.
Het bijwoord kan wel een richtings-n hebben, bijvoorbeeld:

Ni veturas dekstre Wij rijden rechts.
Ni veturas dekstren Wij rijden naar rechts.

2) Het hoort nooit bij een zelfstandig naamwoord, terwijl een bijvoeglijk naamwoord altijd bij een zelfstandig naamwoord in dezelfde zin hoort.

Bijwoorden

Een bijwoord kan iets zeggen over de volgende zinsdelen:

1) Het werkwoord, bijvoorbeeld:

Li tajpas diligente. Hij typt ijverig.

Onderscheid dit goed van het gezegde in: Li estas diligenta. diligente zegt iets over het tajpi, diligenta is een eigenschap van li. Ook ten opzichte van de bepaling van gesteldheid is er een verschil.

Ŝi trikas malakurate.
Zij breit slordig.

Ŝi estas malakurata.
Zij is slordig.

Petro ĉarpentas precize.
Peter timmert nauwkeurig.

Petro ĉarpentas ĝin preciza.
Peter maakt het door timmeren nauwkeurig.

Petro estas preciza
Peter is nauwkeurig.

2) Een bijvoeglijk naamwoord. Let ook hier weer op.

Li estas rapide pensanta viro.
Hij is een snel-denkend man.
Rapide zegt iets over de wijze van denken.

Li estas rapida pensanta viro.
Hij is een snel en denkend man.

Ŝi ŝatas montri bele purajn vestojn.
Zij houdt ervan mooi-zuivere kleren te tonen.

Ŝi ŝatas montri belajn purajn vestojn.
Zij houdt ervan mooie en zuivere kleren te tonen.

3) De gehele verdere zin, bijvoorbeeld:

Unue mi volas diri mian dankon ke ...(kaj tiel plu). Ten eerste wil ik mijn dank zeggen dat ... enzovoort.

4) Een ander bijwoord, bijvoorbeeld:

La trajno iras fulme rapide. De trein gaat bliksemsnel.
Li grimpas simie lerte. Hij klimt aapachtig handig.
Li skribis delikate bele. Hij schreef verfijnd mooi.

Als het onderwerp van de zin is weggelaten dan moet men eventuele bijvoeglijke naamwoorden vervangen door bijwoorden, bijvoorbeeld:

Ĝi aspektas malnova. Het ziet er oud uit.
Aspektas malnove. `t Ziet er oud uit.
La vento blovas forte. De wind blaast sterk.
Blovas forte. `t Waait sterk.

Er is nu immers geen zelfstandig naamwoord meer in de zin waar het bijvoeglijk naamwoord bij kan horen. Dit geldt ook voor bijzinnen waar het weggelaten onderwerp hetzelfde is als dat van de hoofdzin.

Tuj avertite, li rapide forfuĝis.
Meteen gewaarschuwd geworden, vluchtte hij snel weg.

Vergelijk:
Post kiam li tuj estis avertita, li rapide forfuĝis.
Laŭte dankante, li forlasis nin malfrue.
Luid bedankende verliet hij ons laat.
Vergelijk:
Dum li estis laŭte dankanta, li forlasis nin malfrue.

Voorzetsels

De regel 1 woord = 1 betekenis geldt in het bijzonder bij de voorzetsels. Daarom moeten wij hier goed opletten.

Met
per = met behulp van
kun = samen met

Voor
antaŭ la domo = voor het huis
antaŭ la tria horo = voor het derde uur
pro = wegens
por = omwille van, ten bate van, om te

Langs
preter = voorbij
laŭ = parallel, gelijklopend met

Bij
apud = in de buurt van
ĉe = dichtbij, ten huize van

Behalve
krom = bovendien
escepte de = met uitzondering van

Over
pri = betreffende
trans = overheen

Door
tra = doorheen
per = door middel van

Veel voorzetsels in vaste uitdrukkingen vertalen wij in het Esperanto met het onbepaalde voorzetsel je, bijvoorbeeld:

Je via servo. Tot uw dienst.
Je la kvina tago de aprilo.Op de vijftiende van april.
Mi atendas je la aŭtobuso.. Ik wacht op de bus.

Aanwijzende voornaamwoorden

Het woordje dat kunnen wij vertalen met tio of tiu. Tio wordt altijd zelfstandig toegepast en verwijst altijd naar dingen, nooit naar personen. Bij aanwijzend gebruik van dat moet men het woordje tiu gebruiken.

Tio estas vera. Dat is waar.
Mi rigardis tion plezure. Ik bekeek dat met genoegen.
Tiu libro enhavas la veron. Dat boek bevat de waarheid.
Mi ŝatas tiun statuon Ik hou van dat standbeeld.

Tiu verwijst bij zelfstandig gebruik altijd naar personen.

Tiu forportis la sakojn. Die droeg de zakken weg.
Ni devas denunci tiujn. Wij moeten diegenen verklikken.

Zich (wederkerig voornaamwoord)

Het woordje zich is bij sommige werkwoorden al in de betekenis mee inbegrepen. Men hoeft het dan niet nog eens extra te vertalen door sin.

mi hontas = ik schaam me (niet mi hontas min).
li enuas = hij verveelt zich (niet li enuas sin).
ŝi memoras = zij herinnert zich.
vi ĝojas = jij verheugt je.

Nabije toekomst

In het Nederlands gebruiken wij voor de nabije toekomst vaak de tegenwoordige tijd. Dit is in het Esperanto niet toegestaan. Steeds als het over de toekomst gaat moeten wij de toekomende tijd gebruiken.

Mi venos morgaŭ
Ik kom morgen (niet Mi venas morgaŭ).
Antaŭ la vespero mi estos ree.
Voor de avond ben ik terug (niet: Antaŭ la vespero mi estas ree).

Indirecte rede

In de indirecte rede veranderen wij in het Nederlands de tijd van het werkwoord. Dit gebeurt nimmer in het Esperanto.

Li diris: „Mi ankoraŭ vizitos vin.”
Hij zei: „Ik zal jullie nog bezoeken.”

Li diris ke li ankoraŭ vizitos nin.
Hij zij dat hij ons nog zou bezoeken.

Dubbele betekenissen

Sommige woorden hebben in het Nederlands twee of meer betekenissen. In het Esperanto zijn er dan twee afzonderlijke woorden.

Bal
la balo = het bal
la pilko = de bal

Band
ligilo = bindmiddel
bendo, rubando = band
pneŭm(atik)o = opblaasband

Bank
benko = zitbank
banko = geldinstelling

Boer
fanto = boer in kaartspel
kampulo = landbouwer

Dan
tiam = toen
pli ol = meer dan
tiuokaze = in dat geval

Dromen
revi = mijmeren, verlangen naar
sonĝi = dromen (in slaap)

Glas
glaso = drinkglas
vitro = glas, ruit

Juist
ĝusta = precies
justa = rechtvaardig

Keer
fojo = keer, maal
turno = wending

Kerk
preĝejo = gebouw
eklezio = organisatie

Koken
kuiri = eten bereiden
boli = kokend zijn

Kool
brasiko = groente
karbo = steenkool

Licht
luma = verlicht
peza = niet zwaar

Paard
ĉevalo = dier
kavaliro = schaakstuk

Punt
poento = punt, cijfer
punkto = punt, stip

Schrijven
skribi = op papier zetten
verki = (een boek) schrijven

Sport
sporto = sport
rungo = sport van ladder

Stroom
kurento = elektrische stroom
fluo = stroming

Te
tro = te veel
en = te, in

Toets
klavo = toets (op toetsenbord)
provo = test

Wagen
kuraĝi = durven
la aŭto = de wagen

Weer
la vetero = het weer
ree, denove = weer, opnieuw

Weg
la vojo = de weg
for = weg, verdwenen

Wild
sovaĝa = woest
ĉasaĵo = wild (jacht)

Zijde
flanko = kant
silko = zijde (stof)

Auteur: Frans COBBEN, Artilleriestraat 87, NL-4611 GC BERGEN OP ZOOM

Laatste aanpassing van deze bladzijde: 07-06-2017